F&A/ JUS 000615
September 1999

BESTRIJDING VAN SEKSUEEL MISBRUIK MINDERJARIGEN

De aandacht voor seksueel misbruik van en geweld¨ tegen kinderen is sinds de jaren tachtig toegenomen. De toegenomen aandacht voor seksueel misbruik van kinderen is mede te danken aan de niet-aflatende inspanningen van non gouvernementele organisaties en de vrouwenbeweging, maar ook aan een aantal publicaties waarin de aard en de omvang van de problematiek aan het licht worden gebracht.
Enkele geruchtmakende zaken in binnen- en buitenland heeft de afgelopen jaren deze aandacht verder vergroot. De publieke verontwaardiging over deze zaken is groot. Daardoor is een sterk draagvlak ontstaan voor nader gerichte acties van overheid, burgers, de samenleving in haar geheel en verschillende organisaties om krachtig op te treden tegen seksueel misbruik van kinderen. Er bestaan inmiddels vele lopende en voorgenomen initiatieven. Het gaat er om de komende tijd de krachten te bundelen en de activiteiten op een samenhangende en constructieve wijze te koppelen.

Seksueel misbruik van kinderen vormt een ernstige schending van de rechten van het kind. Het uitgangspunt bij de bestrijding van seksueel misbruik is de VN-conventie inzake de Rechten van het Kind (uit 1989), die op 8 maart 1995 in Nederland van kracht werd

Achtergronden

Eén op de drie vrouwen blijkt slachtoffer geweest te zijn van enige vorm van seksueel misbruik voor haar zestiende jaar. Bij mannen is dat ongeveer één op de dertig. Er zijn twee vormen van seksueel misbruik van kinderen. De niet-commerciële, zoals incest, misbruik op school of binnen instellingen, en de commerciële waarbij in veel gevallen sprake is van kinderporno of -prostitutie. In alle gevallen worden kinderen het slachtoffer omdat ze weerloos en kwetsbaar zijn. Niet-commercieel seksueel misbruik van kinderen, voornamelijk incest, kan in ieder gezin voorkomen. Het idee dat kinderen altijd misbruikt worden door hun vader is achterhaald. Ook kennissen en familie buiten het gezin behoren tot de daders. Wel zijn de daders meestal mannen.
Commercieel misbruik van kinderen komt op grote schaal voor: wereldwijd zijn er tien miljoen kinderen werkzaam in de prostitutie. Het is niet mogelijk de omvang van kinderprostitutie in Nederland aan te geven omdat de aangiftebereidheid laag is.

Zedenzorg bij politie en Openbaar Ministerie
Alle politiekorpsen moeten volgend jaar voldoen aan verscherpte kwaliteitseisen op het gebied van zedenzorg. De inrichting van een bovenregionale gezamenlijke voorziening ter ondersteuning van de politiekorpsen en de parketten bij de aanpak van kinderporno, zoals vorig jaar aangekondigd, moet dan gerealiseerd zijn. Elk korps dient verder te beschikken over gespecialiseerde zedenrechercheurs. Dit specialisme dient 24 uur per dag beschikbaar te zijn.
Bij de behandeling van ernstige zedenaangiften gaat een aantal nieuwe zorgvuldigheidseisen gelden. Zo moet een slachtoffer altijd kunnen kiezen tussen mannelijke of vrouwelijke politie-ambtenaar, wordt de aangifte altijd opgenomen op geluidsband en wordt de aangifte altijd door twee agenten behandeld. De korpsen moeten ook regionaal beleid gaan ontwikkelen. Voorts zullen de opleidingen worden verbeterd en zullen er een aantal wenselijke deskundigheidsniveaus voor politie en Openbaar Ministerie op het terrein van zeden worden vastgesteld.

Bij het Openbaar Ministerie wordt op elk parket uiterlijk in het jaar 2000 een officier aangesteld die als aanspreekpunt voor zedenzaken zal functioneren. Bij de behandeling van moeilijk verifieerbare aangiften zal de Officier van Justitie gebruik maken van een gespecialiseerde pool van gedragsdeskundigen. Het gaat daarbij om aangiften gebaseerd op (in therapie) hervonden herinneringen of herinneringen van voor het derde levensjaar en aangiften van ritueel misbruik. De coördinatie van deze deskundigenpool vindt plaats door de Centrale Recherche Informatiedienst (CRI).
De CRI werkt verder aan de landelijke invoering van het VICLAS-systeem. Dit is een databank waarin alle moord- en zedenzaken worden geregistreerd. Met behulp van dit systeem kunnen landelijk en internationaal verbanden worden gelegd tussen individuele moord- en zedenzaken.

Aanpassingen zedelijkheidswetgeving

Het artikel in het wetboek van strafrecht dat kinderporno strafbaar stelt, art 240b Sr, is geëvalueerd door het Verwey Jonker Instituut. Mede naar aanleiding van deze evaluatie komt de minister met een aantal wetswijzingen:

  • De minister wil de leeftijdsgrens voor het optreden in pornografische films en dergelijke verhogen naar 18 jaar. Daarmee wordt ten aanzien van pornografie dezelfde minimumleeftijd gehanteerd als in de prostitutiesector. Dit komt de bescherming van minderjarigen ten goede.
  • De Hoge raad bepaalde vorig jaar dat het enkelvoudige bezit van kinderporno strafbaar is. Het kinderporno-artikel zal worden aangepast zodat deze strafbaarheid ook expliciet blijkt uit de wet.
  • Het zogenoemde klachtvereiste - dat is het vereiste dat seks met minderjarigen tussen de twaalf en zestien jaar slechts wordt vervolgd als er een officiële klacht ligt van het slachtoffer - wordt afgeschaft. Dit vereiste blijkt in de praktijk niet goed te functioneren. Zo bemoeilijkt het de aanpak van kinderprostitutie en kindersekstoerisme. Ervoor in de plaats komt de verplichting voor het Openbaar Ministerie om het slachtoffer te horen voor dat vervolging wordt ingesteld.
  • De minister van Justitie overweegt virtuele kinderporno, dat is kinderpornografisch materiaal waarbij niet aanwijsbaar een echt kind is betrokken, eveneens strafbaar te stellen. Het blijkt met moderne technieken mogelijk levensechte virtuele afbeeldingen te maken. Hoewel de strekking van het kinderporno-artikel is, feitelijk seksueel misbruik te bestrijden kan het in omloop brengen van dergelijk materiaal (psychische) schade veroorzaken bij de afgebeelde persoon. Met de strafbaarstelling van dergelijk materiaal zou het bovendien beter mogelijk worden kinderporno op Internet te bestrijden. Dit omdat dan niet meer bewezen hoeft te worden dat het aangetroffen materiaal echte kinderen afbeeldt. Ook in internationaal verband lijkt consensus te ontstaan voor een dergelijke strafbaarstelling. De minister wil de internationale ontwikkelingen voorlopig afwachten voor met wetswijzigingen op dit terrein te komen.

Slachtofferzorg
Een 'afgestrafte' dader van zedendelicten moet worden begeleid bij zijn terugkeer in de maatschappij. Dat is van belang om het recidive gevaar te beperken, maar ook om stigmatisering en isolering te voorkomen. De minister zal in overleg met politie, OM en reclassering nog met een nader standpunt komen over structurele informatievoorziening over vestiging of terugkeer van een zedendelinquent aan buurtgenoten.
De minister vindt dat in individuele zware gevallen het belang van het slachtoffer zo zwaar kan wegen dat, een veroordeelde zedendelinquent gedwongen moet worden te verhuizen uit de buurt waar hij zijn delicten heeft begaan. Binnen de huidige wetgeving bestaan daartoe mogelijkheden, zo stelt de minister. Zo kan bij een TBS-behandeling voor een proefverlof of een beëindiging van behandeling een dergelijke voorwaarde worden gesteld.

Preventie
Het voorkomen van seksueel misbruik heeft alles te maken met het vergroten van de sociale weerbaarheid van het potentiële slachtoffer en het voorkomen van recidive. Een belangrijk onderdeel is het stimuleren dat in een zo vroeg mogelijk stadium kinderen waarden en normen ontwikkelen op het terrein van seksualiteit en gedrag. Ten opzichte van volwassenen, maar ook tegenover elkaar. Kinderen moeten leren waar machtsmisbruik plaatsvindt en hoe ongewenste situaties kunnen worden voorkomen. Naast gerichte projecten is het zaak om binnen de sector jeugdzorg en jeugdbescherming deze thematiek onder de aandacht te brengen als onderdeel van de reguliere educatie.

Het is belangrijk vroegtijdig signalen te onderkennen en daarop adequaat te reageren. Dat vereist een alerte houding van jeugdhulpverleners of andere personen die professioneel in contact komen met kinderen. Dit wordt gestimuleerd door gerichte scholing. Verder moet de drempel tot de noodzakelijke instanties zo laag mogelijk zijn. Binnen de jeugdzorg zijn daarvoor twee elementen van belang. Allereerst zijn er bureaus Jeugdzorg ingesteld. Hierdoor is er één aanspreekpunt is voor alle betrokken instanties die te maken hebben met jeugdzorg of jeugdbescherming. Dat betekent dat hulpverleners, maar ook bijvoorbeeld docenten, snel door worden verwezen naar de juiste instantie als zij signalen hebben ontvangen van mogelijk misbruik van kinderen. Kinderen zelf kunnen terecht bij het Advies en meldpunt Kindermishandeling, waarvan er steeds meer in Nederland worden ingesteld. Er wordt gestreefd naar een landelijke dekking voor het einde van het jaar. Kinderen die zich richten tot andere instanties worden door de systematiek van de bureaus Jeugdzorg adequaat opgevangen. Verder heeft de Raad voor de Kinderbescherming een selectie-instrument ontwikkeld om in een vroeg stadium jeugdige daders met serieuze psychische problemen te onderscheiden en tijdig een behandeling te kunnen starten.

Index Informatie

 

 
Stichting Lotgenoten Incest Slachtoffers 

Meldpunt Kinderporno Meldpunt Kinderporno