Dinsdag 19 mei 2009
Klacht na vermeend misbruik
Kind uit Bolderkar-affaire dient schadeclaim in tegen Staat

Het leidde in de jaren tachtig tot felle discussies: medewerkers van De Bolderkar beschuldigden ouders van incest. Kinderen werden uit huis geplaatst.


Archieffoto uit 1988 van de poppen die werden gebruikt bij onderzoek naar seksueel misbruik van kinderen. © FOTO ANP
  Een vrouw die twintig jaar geleden als peuter uit huis werd geplaatst naar aanleiding van de geruchtmakende Bolkerkar-affaire, dient een schadeclaim in bij de Staat.

In totaal veertien kinderen die naar het medisch kinderdagverblijf De Bolderkar in Vlaardingen gingen, werden eind jaren tachtig uit huis gehaald. Medewerkers beschuldigden op grond van een omstreden methode met poppen, de ouders van de kinderen van incest. Geen van de ouders werd veroordeeld.

De nu 25-jarige Elise Watts vertelt haar verhaal in een documentaire die morgen wordt uitgezonden door het lokale RTV Rijnmond.

Volgens haar advocaat Dirk Vermaat is Watts getraumatiseerd door de gebeurtenissen. „Ze heeft nog heel vaak herinneringen en is ook onder behandeling geweest.” Volgens hem gaat het de vrouw vooral om erkenning. Hoe hoog de schadeclaim uitvalt, weet hij nog niet, maar „het gaat niet over tonnen”.

De advocaat zou het goed vinden als het niet tot een rechtszaak komt, „maar dat de Staat zegt: we zaten fout, we gaan schikken.” Hij wil ook een claim indienen bij de organisatie die juridisch aansprakelijk is voor De Bolderkar.

Vermaat vertegenwoordigde de vader van Watts, die incest aanvankelijk had bekend. Dat deed hij om zo snel mogelijk psychische hulp te kunnen krijgen, verklaarde hij destijds. Bovendien zou de politie hem hebben verteld dat hij minder straf zou krijgen als hij bekende. De rechtbank sprak de vader in 1989 vrij.

’Signalen zijn altijd betrekkelijk’

Het is maar zelden mogelijk met zekerheid vast te stellen of seksueel misbruik bij kinderen heeft plaatsgevonden. Hulpverleners dienen daarom uiterst secuur te werk te gaan, liefst aan de hand van eenduidige richtlijnen of protocollen, staat in het rapport ’Handelen bij vermoeden van seksueel misbruik van kinderen en jeugdigen’, dat in 1994 is opgesteld door de Commissie seksueel misbruik van jeugdigen. Aanleiding voor het rapport was onder andere de Bolderkar-affaire. In het Engelse Cleveland stelden twee kinderartsen in diezelfde periode binnen enkele maanden vast dat maar liefst 121 kinderen seksueel misbruikt waren. In beide gevallen was er sprake van een te eenzijdige aanpak, onduidelijke verantwoordelijkheden, en een gebrek aan samenwerking tussen hulpverleners en instellingen, aldus de commissie toen.

Een belangrijke conclusie uit het rapport is dat signalen van seksueel misbruik altijd ’betrekkelijk’ zijn. Als een kind signalen afgeeft, of dat nou in het gedrag of puur lichamelijk is, blijft het altijd moeilijk te beoordelen of de signalen hun oorzaak vinden in seksueel misbruik of in andere problemen. Sinds 1990 wordt het verhoor van mogelijke slachtoffers met behulp van anatomisch correcte poppen door het Openbaar Ministerie alleen in uitzonderlijke gevallen als bewijsmiddel geaccepteerd, en nooit als enig bewijs. Alleen als er in een strafzaak genoeg andere verklaringen zijn afgelegd en een interview met de poppen bevestigt eerdere lezingen, dan kan het poppenspel als steunbewijs een rol spelen.

 

Copyright: Trouw

 

Terug