’Signalen zijn altijd betrekkelijk’
Het is maar zelden mogelijk met zekerheid vast te stellen of seksueel misbruik bij kinderen heeft plaatsgevonden. Hulpverleners dienen daarom uiterst secuur te werk te gaan, liefst aan de hand van eenduidige richtlijnen of protocollen, staat in het rapport ’Handelen bij vermoeden van seksueel misbruik van kinderen en jeugdigen’, dat in 1994 is opgesteld door de Commissie seksueel misbruik van jeugdigen. Aanleiding voor het rapport was onder andere de Bolderkar-affaire. In het Engelse Cleveland stelden twee kinderartsen in diezelfde periode binnen enkele maanden vast dat maar liefst 121 kinderen seksueel misbruikt waren. In beide gevallen was er sprake van een te eenzijdige aanpak, onduidelijke verantwoordelijkheden, en een gebrek aan samenwerking tussen hulpverleners en instellingen, aldus de commissie toen.
Een belangrijke conclusie uit het rapport is dat signalen van seksueel misbruik altijd ’betrekkelijk’ zijn. Als een kind signalen afgeeft, of dat nou in het gedrag of puur lichamelijk is, blijft het altijd moeilijk te beoordelen of de signalen hun oorzaak vinden in seksueel misbruik of in andere problemen. Sinds 1990 wordt het verhoor van mogelijke slachtoffers met behulp van anatomisch correcte poppen door het Openbaar Ministerie alleen in uitzonderlijke gevallen als bewijsmiddel geaccepteerd, en nooit als enig bewijs. Alleen als er in een strafzaak genoeg andere verklaringen zijn afgelegd en een interview met de poppen bevestigt eerdere lezingen, dan kan het poppenspel als steunbewijs een rol spelen.
