Juli 2002
Dit verhaal was eerder gepubliceerd in het weekblad Mijn Geheim.
Met dank aan de Redactie Mijn Geheim, Postbus 100, 5126 ZJ Gilze.TEKST: HELENE BUIS
Met dank aan de redactie Mijn Geheim
Bij wie kan ik schuilen, bij wie kan ik huilen, bij wie kan ik mezelf zijn?
Ik heb nooit een moeder gehad...
Graag wil ik deze gelegenheid aangrijpen om mijn verzoek te doen. Ik vertel mijn verhaal, dat is moeilijk voor me, maar nodig. Los van dat heel vreselijke waar mijn verhaal over gaat, gaat mijn verhaal over mijn moeder. Over mijn moeder en mij. En komt mijn verzoek aan de lezeressen van Mijn Geheim…
Vlak voor ik ’s nachts in slaap val komen de beelden. Flashbacks, herinneringsvlagen. Een douchedeur, een bord eten, handen die over mijn lichaam glijden. Marjoke, mijn vriendin, verduidelijkt de beelden voor me. Ze is tien jaar ouder dan ik. Vanaf dat ik een jaar of twee was, kwam ze bij ons over de vloer. ”Er is zo veel gebeurd”, zegt ze. ”Ik ga je niet alles vertellen. Dan krijg je te veel op je dak. Ik zeg alleen maar waar jij naar vraagt. Beetje bij beetje komt alles dan wel naar boven. Tot je de puzzel compleet hebt.”
Ze heeft me verteld over de douche waar mijn moeder mij in slingerde als ik lastig was. Daar komt het litteken boven mijn oog vandaan. Ze heeft verteld over de harde klappen die ik op mijn handen kreeg als ik als peuter per ongeluk in mijn eten zat. Ze heeft verteld dat mijn vader mij betastte. Dat als hij mij sloeg, mijn moeder net zo hard mee sloeg. Nog steeds krimp ik in elkaar als ik wat laat vallen. Bang voor klappen.
Drinken, wassen, aankleden, daar zorgde mijn moeder voor. Liedjes zingen, knuffelen, voorlezen, dat kende ik niet. Buiten spelen mocht ik wanneer ik er zin in had. Als ik maar uit haar buurt was.
Toen ik twaalf jaar was, gingen mijn ouders uit elkaar. Ik was opgelucht en blij. Ik zou nooit meer klappen krijgen, niemand zou meer met zijn handen onder mijn kleren kruipen.
Mijn moeder ging praten bij de Riagg, ik ging met haar mee. Ze kon er niet alleen heen, ze had mijn steun nodig.
Ik luisterde naar haar verhalen over haar angsten, haar fobieën, haar anorexia. De therapeuten vonden het normaal dat een twaalfjarig meisje bij die gesprekken was. Het was 1980.
Het ging een jaar goed met ons. Toen kwam er weer een man in het leven van mijn moeder. Ze had medelijden met hem. Hij zorgde niet zo goed voor zichzelf. Ze sprak met hem af dat wij voortaan op zaterdag de boodschappen zouden doen en zijn huis zouden schoonmaken.
Op een van die dagen dat we daar bezig waren, stelde ze voor dat zij alvast naar de winkel zou gaan en dat ik de slaapkamer verder alleen af zou maken. Dan konden we eerder naar huis. Ik hoefde alleen nog maar het bed te verschonen.
Mijn moeder vertrok. De buitendeur sloeg dicht. Beneden werd de muziek harder gezet. Nederlandse muziek. Niet mijn smaak. Ik vouwde het laken onder het matras. Een geur van bier en zweet waaide de kamer binnen. Ik draaide me om. Een hand legde zich op mijn billen. Ik viel naar achteren op het bed. Ik kon me niet verweren, daarvoor was hij te sterk.
”Hier hou je je mond over”, dreigde hij na afloop. ”Of wil je soms nog meer klappen?”
Mijn moeder kwam terug. Ik durfde en kon het haar niet vertellen. Dat deed ik pas later thuis, toen mijn woede en wanhoop groter was dan de angst voor klappen. Mijn moeder reageerde er niet op, net alsof ze het helemaal niet erg vond. Ik deed aangifte bij de politie. De man bleek negentien kinderen misbruikt te hebben.
Hij heeft twee jaar voorwaardelijk gekregen en therapie. Een paar jaar geleden is hij overleden aan kanker. Dat gaf mij voldoening.
Ik kreeg een maatschappelijk werker toegewezen die ervoor zorgde dat ik in een pleeggezin terecht kwam.
Ik maakte me zorgen over mijn moeder. Teruggaan wilde ik niet. Maar wie zou haar nu begeleiden? Ik ben op eigen houtje naar de Riagg gestapt om te vertellen dat ik weg was bij mijn moeder. ”Ik weet dat ze niet meer bij jullie in behandeling is. Maar ik ben daar weg. En ik weet niet wat er met haar gaat gebeuren. Jullie moeten haar helpen.” Ze beloofden dat ze het in de gaten zouden houden.
Ik was bij een alleenstaande moeder geplaatst die zelf twee probleemkinderen had. Voor mij was er niet genoeg tijd en aandacht. De maatschappelijk werker vond na twee weken dat ik terug moest naar mijn moeder. Hij praatte me moed in, beloofde dat hij elke week langs zou komen. Die belofte is hij drie keer nagekomen, toen liet ook hij mij in de steek.
Er kwam een tweede man in het leven van mijn moeder. In geuren en kleuren vertelde mijn moeder hem dat ik misbruikt was door haar vorige vriend. Ze vertelde dat verhaal aan iedereen die het maar horen wilde. Elk tweede weekend kwam haar nieuwe vriend voortaan bij ons thuis. Dan sliep hij bij mijn moeder in bed. Als ik ’s morgens wakker werd, probeerde ik me zo stilletjes mogelijk aan te kleden om op tijd het huis uit te zijn. Het lukte nooit.
”Marianne, kom eens hier”, riep mijn moeder. Ik moest bij hun in de slaapkamer komen. Bij hun in bed gaan liggen. ”Ik ga het ontbijt klaarmaken”, zei mijn moeder dan. Ik mocht niet met haar mee naar beneden, ik moest blijven liggen. Zodra mijn moeder door de deur verdwenen was, begon het. Ik riep niet, ik schreeuwde niet. Dreigend zwaaiden een paar sterke handen boven mijn gezicht. Klappen krijgen was nog erger dan seks.
Naast ons woonde een Turks gezin. Na schooltijd ging ik altijd meteen naar hen toe. Ik bleef daar tot mijn moeder mij riep voor het eten. Om er ’s avonds meteen weer naartoe te gaan. Waarom lukte het andere mensen wel om een normaal gezin te zijn? Waarom kon dat bij ons niet zo zijn?
Ik was zestien toen ik mijn moeder doorkreeg. Een zwaar lichaam zwoegde bovenop mij, terwijl klappen mij in bedwang hielden. Ze kwamen niet alleen van hem, ze kwamen ook van haar.
Later vroeg ik het haar. ”Hoe kan het dat jij er gewoon bij was terwijl het gebeurde?” Ze reageerde niet. ”Volgens mij ben jij altijd de boosdoener geweest”, zei ik.
Ze keek me aan, een blik die niets ontkende. En ineens begreep ik alles. Boos was ik niet, alleen maar intens verdrietig en teleurgesteld. En eenzaam. Ik wendde mijn blik van haar af, stond op en liep naar boven. Ik huilde niet, dat kon ik al niet meer.
Maar nu wist ik het. Tot die tijd had ik altijd gedacht dat het aan mijn vader lag en aan die andere mannen van mijn moeder. Maar het was van mijn moeder uitgegaan. Dit verraad overviel me. Ik wist wel dat ze geld kreeg van haar vriendjes, maar nu wist ik dat ik dat geld samen met haar had verdiend. Ik schaamde me.
Na school moest ik altijd eerst naar huis komen. Ik vertelde mijn moeder nooit wanneer ik de laatste uren vrij had. Die tijd was van mij. Die paar uurtjes werkte ik in een winkeltje. Op een dag werd ik daar opgebeld door mijn moeder. Ze was erachter gekomen dat ik niet meer op school was. De eigenares, Els, wist dat ik het thuis niet gezellig had. Ze wenkte me dat zij de andere telefoon zou nemen om mee te kunnen luisteren.
”Ik wil dat je binnen een half uur thuis bent!” schreeuwde mijn moeder.
”Dat kan niet”, zei ik overstuur. ”De bus gaat om het uur. En lopen is het anderhalf uur.”
”Het kan me niet schelen hoe je het oplost. Maar als je er over een half uur niet bent, hoef je helemaal niet meer thuis te komen. Ik ben je helemaal zat.”
Els hing op. Vertwijfeld keek ik haar aan. Ik kon niet terug naar mijn moeder. Maar wat nu? Ik was zestien, ik had geen geld, niks.
”Ik ken een adresje in Rotterdam waar je naartoe kunt. Een crisiscentrum. Daar ben je veilig. Daar krijg je een bed en eten. Als mijn man thuiskomt, rijden we je erheen", zei Els.
Het was vrijdagavond. Het begin van het weekend. Ik kon in het crisiscentrum een kamer krijgen en eten. Verdere hulp en opvang kon maandag pas geregeld worden. Tot die tijd moest ik het in mijn eentje zien te redden. Dat lukte me niet. Vrijdagnacht sliep ik daar, maar zaterdagmorgen reed ik terug naar het winkeltje. In de tram verborg ik me in mijn dikke zwarte sjaal. In die tijd werd het signalement doorgegeven van personen die bij de politie als vermist waren gemeld. Ik was bang herkend te worden.
Els schonk me een kop hete koffie in.
”Kan ik vandaag niet helpen?” vroeg ik.
”Natuurlijk, meid.”
Er waren gelukkig geen klanten in de winkel toen een half uur later de politie binnenstapte. Ze wilden me meenemen naar huis. Ik staarde hen aan, ik kon geen woord uitbrengen. Els stapte naar voren: ”Marianne is niet weggelopen. Ze is het huis uitgezet”, legde ze uit. ”Ze wil niet meer terug naar huis. Ze wordt mishandeld.”
De agenten geloofden haar gelukkig. Ze namen me mee naar het bureau. Mijn moeder werd opgebeld. De politie gaf door dat ik terecht was, maar niet meer naar huis wilde. Ze pleegden nog een paar telefoontjes. Toen kreeg ik te horen dat er bij het Leger des Heils plaats voor me was. Ik zat vast aan Pro Juventute, die was door de kinderbescherming in de arm genomen.
In die vier jaar dat ik bij het Leger des Heils heb gewoond heb ik nooit met iemand over mijn verleden gepraat, dat wilde ik niet. Ze respecteerden dat. Ze lieten me met rust, maar steunden waar ze konden. Ik hoefde niet naar school. Ze wisten dat ik de confrontatie met kinderen die uit gewone gezinnen kwamen niet aankon. Dat deed teveel pijn.
Ik werkte bij een opvangcentrum voor drugsverslaafden en kookte bij de zusters van moeder Teresa. Tussen andere verschoppelingen voelde ik minder eenzaamheid.
De buren waar ik mij altijd zo fijn had gevoeld, kwamen een paar keer op bezoek. Ze begrepen niet waarom ik weg was gegaan. Ik vertelde het ook niet. Ze bleven terugkomen, ze gaven om mij.
Een keer per maand kwam er een contactpersoon langs. Wat ik haar vertelde zou ze met mijn moeder bespreken. De dag voor ze zou komen, viel mijn stem weg. Ik kon niet meer praten. Tegen niemand. Mijn keel zat dichtgesnoerd. Pas een half uur na haar vertrek nam de spanning af en kreeg ik mijn stem terug.
Een keer trof ik onverwacht bezoek aan op mijn kamer. Twee vrouwen. Ik rook dat ze van de Riagg kwamen. De instantie die mij als twaalfjarig meisje naar het lijden en klagen van mijn moeder had laten luisteren. ”Of ik eruit of jullie”, zei ik hard. ”En vlug een beetje.”
Ze maakten geen aanstalten, dus pakte ik mijn jas. ”Ik ga nu weg. Als ik terugkom, zijn jullie verdwenen”, dreigde ik. Toen gaven ze op.
Ik kreeg weer contact met mijn vader. Hij werd geen vader, maar een goede vriend.
Na vier jaar ging ik weg bij het Leger. Ik was voor de wet volwassen. Al die jaren had ik geen contact met mijn moeder gehad. Ik had haar destijds bij het intakegesprek op de lijst van ongewenste personen laten zetten. Toen mijn moeder erachter kwam waar ik woonde begon ze me te bellen. Ze vroeg nooit hoe het met me was, ze had een klankbord nodig voor haar problemen. Ik was nu ouder en kon beter grenzen stellen. Een keer per week liet ik haar praten. Op haar verjaardag ging ik naar haar toe. Maar alleen als er niemand van haar vriendjes op bezoek was. Anders was ik meteen weer weg. Het zou me niet nog eens overkomen.
Het is me nooit gelukt om voorgoed met haar te breken. Want ze is mijn moeder. Biologisch gezien,niet qua gevoel. Marjoke woont bij haar in de buurt. Als ik bij mijn moeder geweest ben, loop ik eventjes bij haar naar binnen. Ik ben dan helemaal op. Als ik tien minuten bij mijn moeder zit, barst ik al van de spanningshoofdpijn.
Het contact met mijn vader is aangebleven. Niet dat ik veel van hem krijg of verwacht, maar van hem heb ik het ook nooit verwacht. Zo nu en dan belt hij op en vraagt hoe het met me is. Dat is voldoende voor mij. Wat er na de scheiding gebeurd is met die andere mannen heb ik hem nooit verteld. Hij zal nooit op mijn kinderen mogen passen. Alleen op zijn verjaardag geef ik hem verplicht een zoen. De rest van het jaar mag hij niet te dichtbij komen. Hij is geen goede vader geweest. Maar wat hij heeft gedaan, valt in het niet bij wat mijn moeder mij heeft aangedaan. Hij komt uit een familie waar veel incest was en is. Desondanks is hij geestelijk redelijk gezond gebleven. Mijn moeder niet.
Op mijn vierentwintigste leerde ik Frank kennen. Als ik huil en verdriet heb, probeert hij mij op zijn manier te steunen. Praten is moeilijker, daarvoor staat hij te dichtbij mij. Ik ben nu vierendertig. Frank en ik proberen al acht jaar kinderen te krijgen. Ik kan een kind zoveel liefde geven. Sinds twee jaar is er bij de artsen een vermoeden waarom dat niet lukt. Ik heb het pco-syndroom. Ik heb geen eisprong en geen menstruatie. Ik heb te kleine eiblaasjes, maar wel heel veel. Normaal gesproken zijn deze 20 millimeter, bij mij 3,5 millimeter. Vroeger viel dat onder de noemer vervroegde overgang. Maar men heeft ontdekt dat deze eiblaasjes wel groeien als er bepaalde hormonen toegediend worden. Dat is na de overgang niet het geval. De afwijking die ik heb komt relatief vaak voor bij vrouwen met een ernstig jeugdtrauma. Het kan het gevolg zijn van een hormoonstoring tengevolge van een langdurige blootstelling aan een stresssituatie.
Een paar jaar geleden heb ik tegen mijn moeder gezegd: ”Als het door de problemen van vroeger komt dat ik geen kinderen kan krijgen, dan zal ik je daar altijd op aankijken. Dan verbreek ik het contact.” Ze schrok. Want behalve haar vriendjes heeft ze verder niemand dan mij.
Helaas is het alleen nog maar een sterk vermoeden dat mijn afwijking een psychische oorzaak heeft. De dokter kan het niet met honderd procent zekerheid zeggen. Had ik er maar een bewijs van. Dan had ik geen contact meer met haar gehad.
Tot ons veertigste mogen we proberen kinderen te krijgen. Dat doen we ook. Telkens stellen we onze grenzen een stukje verder. Al hebben we weinig hoop meer. Adoptie kunnen we niet betalen, dat kost 25.000 à 30.000 gulden. Na ons veertigste willen we de kant van de pleegzorg opgaan. Dan wil ik een kindje dat het nodig heeft alle liefde geven die ik in me heb. Een kindje dat bij mij mag blijven. Want ik denk niet dat ik het aankan als het weer teruggaat naar zijn eigen ouders.
Tot het zo ver is, geef ik de liefde die ik in me heb aan de kinderen uit de buurt. Onze buurmeisjes van vier en twee hebben het thuis niet altijd even leuk. Hun moeder vindt het wel zo makkelijk wanneer ze bij tante Marianne willen spelen. Ik ben blij dat ik hen iets kan teruggeven van de warmte die ik in mijn jeugd van ons buurgezin heb gekregen. Ik weet hoe belangrijk dat is. Mijn andere buurmeisje van zeventien komt ook regelmatig langs. Echt een schat van een meid waar ik veel van terugkrijg. Ze kent mijn verhaal in grote lijnen. Haar moeder vond dat goed. ”Ze mag best weten wat er in de wereld te koop is. Daar wordt ze sterker van. Je weet maar nooit waar ze later zelf nog eens tegenaan loopt. Nu is ze gewaarschuwd. En ze wordt er misschien attenter op als andere vrouwen of kinderen hulp nodig hebben.”
Een excuus voor wat er gebeurd is, heb ik nooit van mijn moeder gehad. Als ik er op terug probeer te komen, dan is het meteen: ”Daar is het gat van de deur.” Ze staat niet open voor mij. In mijn hart blijf ik tegen beter weten in hopen dat ze ooit nog zal veranderen. Ze is nu bijna zestig, ze verandert echt niet meer. Mijn moeder zal ik nooit krijgen.
Ze komt nooit bij mij thuis. Dat wil ik niet. Gelukkig is ze doodsbang voor mijn man. ”Als ik haar tegenkom als ik in de auto zit en ze is alleen, dan is ze dood”, zegt hij. Ik weet dat hij dat niet echt zal doen. Maar zo sterk is zijn haat. Ik heb nu een nummermelder, dan weet ik wanneer zij belt. Negen van de tien keer neem ik niet op. Normaal ben ik niet zo hard, maar dat word je. Ik moet mezelf beschermen. Ik maak me niet meer druk om haar leven. Ze heeft nu weer drie of vier vriendjes tegelijk. Ze zoekt het maar uit. Ik kies nu voor mezelf.
Ik heb meer verdriet en pijn dan dat ik boos op haar ben en wraak wil nemen. Daar heb ik het karakter niet voor. Ik ben teleurgesteld, gewoon heel diep teleurgesteld in haar. Soms is de pijn en het verdriet heel scherp. Dan draai ik harde muziek, ga schoonmaken of vlucht weg door allerlei dingetjes te gaan doen. Huilen kan ik niet, ik zoek troost in eten.
Mijn opa was een waanzinnig lieve man. Op zijn manier probeerde hij me te beschermen als mijn moeder mij sloeg en mijn oma er een grote mond overheen gaf. Dan nam hij me mee naar buiten, op de fiets.Tegen het heel erge hebben ze me nooit kunnen beschermen. Daar wisten ze niets vanaf. Nadat hij gestorven was, kreeg ik pas echt contact met mijn oma.
Vier jaar geleden is ze overleden. De drie nachten voor ze stierf heb ik bij haar bed zitten waken. De eerste nacht kwam een nachtzuster bij mij zitten. En toen heb ik het voor het eerst allemaal verteld. ”Als mijn oma had geweten wat er gebeurd was, had ze mijn moeder denk ik de rug helemaal toegekeerd” zei ik. ”Nu is het te laat om het nog te vertellen. Zulke dingen zeg je niet aan een sterfbed. Maar het doet zeer dat ze het nooit geweten heeft.”
”Het is goed dat je het nu aan ons vertelt”, probeerden de meiden me te troosten.
Mijn oma reageerde op het laatst helemaal niet meer. Op niemand. Alleen aan haar ademhaling hoorde je dat ze bang was. Als ze mijn stem hoorde, werd ze rustig.
”Koester dat gevoel nu maar. Dat ze blij is dat jij bij haar bent”, zei de nachtzuster.
De laatste nacht waakten we met de familie. Tegen twaalf uur ging iedereen weg. Mijn moeder liet de mensen beneden uit. Ik was alleen met de nachtzuster en mijn oma. ”Hier heeft ze op gewacht”, zei de zuster. ”Vertel haar dat ze haar laatste reis mag maken.”
Toen mijn oma mijn stem hoorde, was het voorbij. Ik heb het opgeschreven. Het hele verhaal van hoe ik haar verzorgd heb en hoe ze gestorven is. Dat lees ik ieder jaar op het tijdstip van haar dood.
Ik had liever gehad dat mijn moeder was gegaan. Aan mijn oma had ik meer kunnen hebben.
De nachtzuster was een vriendin van mijn tante van moeders kant. Ze heeft me aangespoord om mijn verhaal aan mijn tante te vertellen. Dat heb ik gedaan, maar ze wilde het niet weten. We hadden verder geen contact met elkaar en dat wilde ze liever zo houden. In mijn vaders familie weten ze nu allemaal wat er met mij gebeurd is. Er is nooit iemand naar me toegekomen om te praten.
Toen ik wegging bij het Leger wilde ik wat terugdoen. In de stad waar ik woon ben ik vrijwilligerswerk gaan doen. Na een paar jaar ging dat niet meer en ben ik ermee gestopt. Twee jaar geleden heeft de overste contact met mij gezocht. Ze wilde weten waarom ik nog steeds wel graag het maandboekje wilde blijven ontvangen, maar nooit meer kwam. Toen heb ik het haar uitgelegd. Dat was moeilijk. Ik ben niet gewend om over mezelf te praten. Nu heb ik eens in de zoveel tijd een gesprek met haar. Als ik het moeilijk heb, dan mag ik haar opbellen en dan kan ik meteen of de volgende dag bij haar terecht. Bijvoorbeeld als ik spijt en schaamte voel, omdat ik denk dat het allemaal mijn eigen schuld is geweest. Dat ik me beter had moeten verdedigen. Dan zegt ze dat die anderen gewoon veel sterker waren dan ik, dat ik daar niet tegenop had gekund. Dan zeg ik: ”Nu weet ik dat, maar over een paar maanden zie ik het toch weer anders. Dan komt dat gevoel weer terug.”
”Dat geeft toch niet”, zegt ze dan. ”Dan praten we er weer over.”
Soms lukt het me om goed over mezelf te praten. Soms niet. Dan praat ik alleen maar over het heden en niet meer over die dingen van toen. Als ik die vrouw niet zou hebben bij het Leger, dan zou ik mijn muur nog steeds hebben staan. Niemand had me dan kunnen bereiken. Zij brokkelt de stenen steeds verder af. Om de zoveel jaar moeten ze naar een andere plaats. ”Als ik dan ergens anders kom en ik ontmoet ooit nog zo iemand als jij, dan weet ik hoe ik het aan moet pakken”, zegt ze. ”Ik werk al zoveel jaren bij het Leger. Jij bent de eerste die me dit soort dingen vertelt. Vroeger werd daar nooit over gepraat.”
Nu wordt er steeds meer over gepraat en geschreven. Daardoor gaan er steeds meer mensen praten. Dat is heel belangrijk.
Professionele hulp heb ik nog niet gevonden. In Middelburg is er iets. Maar daar moet ik een eigen bijdrage van 62 euro voor betalen. De reiskosten komen er dan ook nog bij. Ik heb het geld wel, maar ik doe dat niet. Ik vind het schandalig dat ik er zoveel voor moet betalen. Ik wil niet dat andere mensen dik verdienen aan mijn ellende. Waarom krijgen de daders wel gratis therapie? En laten ze ons in de kou staan? Ik hoop dat ik later ooit andere mensen kan helpen. Maar dan wil ik nooit meer hebben dan een onkostenvergoeding.
Op internet heb ik een site gevonden waar ik veel aan heb: www.stopincest.nl Donderdagavond tussen half acht en tien wordt daar gechat. Je moet je aanmelden. Maar het kost niks.
Ik lees veel bladen, verhalen. En daardoor ben ik op het volgende idee gekomen. Ik wil graag een oproep doen. Ik mis moederliefde. En dat op mijn vierendertigste. Ik schaam me er soms voor. Ik zou willen dat ik dat gevoel van gemis weg kon drukken, maar dat lukt niet. Ik zou zo graag bij iemand willen zitten en willen schuilen en lekker mezelf kunnen zijn. Ik zoek niet iemand van mijn eigen leeftijd. Ik zoek een ouder iemand in mijn leven. Iemand die me dat kan geven wat ik altijd gemist heb. Ik zoek een moeder…
COPYRIGHT © 2000 - 2008